woensdag 28 januari 2015

Parabels of puzzels? Een relectura van de talenten van Joop Smit OSA

In de Janskerk van Utrecht is er een voorbereidingsgroep voor iedere dienst. Die komt meestal twee keer bijeen: eenmaal voor een bijbelstudie, eenmaal voor liederen en praktische afspraken.
Voor de dienst van 15 febr. aanstaande staat Mt 25,14-30 op het programma, de Parabel van de talenten. Voorganger is Dr. JoopSmit. Hij schreef een boek over het Matteüsevangelie. De titel van de parabel is daar De zaakwaarnemers. Een man gaat immers op reis en hij geeft geld in beheer: 5-2-1 talenten, zeker zoveel als klompjes goud. Aardig wat dus.
Het staat in een serie van parabels over de periode voorafgaand aan het einde der tijden: dat duurt nog even, maar we moeten wel voorbereid zijn. De parabels hebben een allegorische trend, zoals vaak bij Matteüs. Die van einde hoofdstuk 24 gaat vooral over kerkleiders, 25:1-13 vooral toegepast op vrouwen (vijf verstandige, vijf dwaze meisjes). 25:14-30 gaat over de missionaire houding van gelovigen: hebben zij wel uitstraling. De sukkel van dit verhaal, die zijn talent verbergt is voorbeeld van de 'inerte gelovigen'. Er wordt immers gesproken over het ´winnen´ met dit geld en dat staat elders ook over het winnen van zielen.


Maar bij de bespreking bleek er toch iets aan de hand te zijn. Een deelnemer had het al meteen over Piketty en de macht van kapitaalen de oneerlijkheid die daarmee gepaard gaat. Die arme die geen geld op de spaarrekening heeft staan wordt hier toch wel erg gepakt. De heer van het verhaal blijkt ook niet Here Jezus te zijn of de Here God die ons de talenten geeft, maar een pure afperser. Het verhaal geeft wel weer hoe het er in de maatschappij gewoonlijk aan toe gaat. Maar eigenlijk hoort die parabel te eindige met: "en moet het dan zo wel?" Met een vraag dus.

Dit bracht de discussie weer verder naar de stijlfiguur van de parabel, waar Joop Smit erg voor was: de parabel is een schokkerend verhaal, die juist tot nadenken oproept. Niet meteen een antwoord geeft maar juist naar zoeken of denken streeft.
Zo'n beetje als die raadselspreuken van Markuc dus, die, als een koan bij de Zen traditie, ook de luisteraar tot denken oproept. Natuurlijk moet het in het leven niet gaan als in die parabel. Elders in het evangelie gaat de herder op zoek naar dat ene verloren schaap (hier is de loser zonder meer afgeschreven) en de weduwe naar haar kleine penninkje.

zaterdag 24 januari 2015

Een lange en bange zevende eeuw of een Aboutalib in Damascus?



Wim Jurg, De lange zevende eeuw of hoe christendom en islam de macht verdeelden, Budel: Damon, 2014, 217 blz. € 29,95
Eindigde het romeinse rijk en dus ‘de oudheid’ in 476 met het afzetten van Romulus Augustulus door een Germaanse legerleider die zichzelf tot koning van Italië uitriep? Of was het toen de Middellandse Zee van een christelijke binnenzee veranderde in een scheiding tussen de Byzantijnse christenen en de moslims die de hele oost- en zuidkust beheersten na 720? In een vlot geschreven en vooral prettig leesbaar boek geeft Wim Jurg een mooie bijles in vergeten geschiedenissen. De kern staat op blz. 110: “Zo verrast als de christenen waren toen ze in 313 plotseling volledige godsdienstvrijheid kregen .. zo verbaasd moeten de moslims zijn geweest over het gemak waarin zij vanaf 634 Syrië, Palestina, Egypte, Mesopotamië, Armenië en Perzië veroverden. En misschien wel nog verbaasder toen bleek dat ze de veroveringen nog konden vasthouden.” De nadruk ligt hier op de geschiedenis van het laat-antieke christendom via twee hoofdpersonen: de Romeins Patriarch/Paus Gregorius de Grote (stierf 604) en de Byzantijnse keizer in Constantinopel, Herakleios (stierf in 641, negen jaar na de profeet Mohammed). Het leek allemaal nog goed te komen, omdat Herakleios na moeizame beginjaren en nederlagen tegen de Perzen toch nog in 630 het Heilig Kruis naar Jerusalem terugbracht (of het relikwieëndoosje waarin wat brokstukken van het Kruis). Maar in 634 veroverden de moslims al Syrië en Palestina, in 640-641 heel Egypte en in deizelfde jaren implodeerde het Perzische rijk dat ook werd ingenomen door de Arabische moslims. 

Waarom ging dat zo gemakkelijk? De Arabieren waren er (nog) niet op uit bekeringen te maken en gingen ook niet in de veroverde steden wonen, maar in eigen woestijnkampementen. Na Gregorius de Grote en Herakleios is de derde grote figuur van dit boek Mu’waiya, de gouverneur van Syrië die vele veroveringen coördineerde en in 660 Kalief of algemeen wereldwijd heerser over de moslims werd. De eerste moslim in die stad waar nog steeds het Grieks de ambtenarentaal bleef. Een soort Aboutalib dus in de onderling sterk verdeelde christelijke gemeenschappen van Syrië. Niets in dit boek over de wilde en vaak slecht onderbouwde theorieën over de ‘omstreden bronnen van de islam’, heel weinig ook over de religieuze boodschap. Het perspectief is vooral dat van de verliezers, die zich rond Rome en Karel de Grote gingen hergroeperen  in noordelijker Europa.

woensdag 14 januari 2015

Mag de Profeet niet afgebeeld worden?

De Turkse eerste minister liep afgelopen zondag mee in de demonstratie voor vrijheid van meningsuiting. Maar vandaag heeft een Turkse rechter bepaald dat de afbeelding van de laatste Charlie Hebdo met daarop een berouwvolle en wenende profeet niet mag worden getoond in Turkije. Schijnheiligheid?
Ja, alles is vergeven lijkt een wenende profeet te zeggen. Maar intussen blijft er veel oud zeer zitten. In de teksten van Koran en Hadith is er nogal veel aandacht voor preciese beschrijvingen van de profeten.  Een citaat van de website marokko.nl: De huidskleur van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) Anas ibn Maalik (moge Allah tevreden met hem zijn) zei over de Profeet (vrede zij met hem):'Hij was van gemiddelde lengte, niet lang en niet kort. Hij had een witte, lichtende huidskleur, niet spierwit en niet donker. Zijn haar was niet krullend en niet sluik.' (Sahieh al-Boekhaarie: 3547 en Sahieh Moeslim: 2347) 'Aboe at-Toefayl (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: 'Ik heb de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) gezien en buiten mij is er niemand meer op het aardoppervlak die hem gezien heeft.' Ik vroeg hem: 'Hoe zag hij eruit?' Hij antwoordde: 'Hij had een witte huidskleur, een mooie verschijning en een normaal postuur.' (Sahieh Moeslim: 2340) 'Alie ibn Abie Taalib (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: "De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) had een witte huidskleur met een rode gloed.' (Sahieh al-Djaami' (4620) van al-Albaanie) Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: 'De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) had een witte huidskleur, alsof hij gevormd was uit zilver.' (Sahieh al-Djaami' (4619) van al-Albaanie) Moeharrash al-Ka'bie (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: 'Ik keek naar de rug van de Profeet (vrede zij met hem) en deze leek net een gesmolten stuk zilver.' (Moesnad Ahmed (15451). 
 Genoeg en eigenlijk wel meer dan genoeg hierover.